Wat is praxis?

De termen dyspraxie en apraxie zijn afgeleid van het woord praxis. Dit is het vermogen om een serie handelingen, die je nog niet kent, te plannen, te organiseren en uit te voeren. Normaal gesproken kunnen je hersenen bepaalde handelingen, als je ze een paar keer hebt gedaan, zo organiseren dat het een automatisme wordt. Zo hoef je niet elke keer als je je veters moet strikken, heel bewust na te denken wat je handen ook alweer precies moeten doen. Bij gezonde kinderen ontwikkelt dit systeem zich in de eerste vijf jaar van hun leven, maar bij mensen met dyspraxie of apraxie gaat er iets mis in de hersenen.

Dyspraxie en apraxie

Dyspraxie betekent dat een kind nog voor het vijfde jaar problemen heeft met de praxis, dus nog voor het systeem zich heeft ontwikkeld. Bij apraxie is het systeem wel al ontwikkeld, maar wordt het aangetast door hersenletsel. Mensen met dyspraxie of apraxie komen vaak onhandig over. Ze ondernemen activiteiten waarvan het lijkt alsof ze het voor de eerste keer doen. Op zich kunnen ze de bewegingen wel maken (met de spieren is niks mis), maar het lukt niet om ze goed te coördineren. Dingen die vanzelf gaan bij iemand die gezond is, zijn voor iemand met praxisproblemen lastig. Denk aan bv aan- en uitkleden, eten zonder te knoeien, een samenhangend verhaal vertellen, fietsen, een bal gooien of vangen, lezen en schrijven. Omdat er geen automatisme ontstaat, moet iemand de handeling eigenlijk steeds weer opnieuw leren door iemand anders stap voor stap na te doen.

Dyspraxie komt veel voor bij infantiele encefalopathie (IE). Apraxie komt onder andere voor bij multiple sclerose (MS) en de ziekte van Parkinson in een vergevorderd stadium.

Symptomen van dyspraxie en apraxie

Iemand met dyspraxie of apraxie heeft meestal niet alle symptomen van de ziekte, maar een aantal ervan. Sommige symptomen kunnen worden overwonnen, anderen worden minder met de tijd, in sommige gevallen blijven er problemen bestaan.

Er zijn verschillende vormen van dyspraxie. Soms is het hele lichaam erbij betrokken, soms gaat het op specifieke onderdelen mis, zoals bij monddyspraxie. Verder kan er onderscheid worden gemaakt tussen zogenaamde conceptdyspraxie en uitvoeringsdyspraxie/ontwikkelingsdyspraxie. Bij de eerste vorm doorziet een kind het ‘concept’ van een handeling niet. In het ergste geval snapt het zelfs niet waar bepaalde voorwerpen, zoals een schaar of bestek, voor dienen. De tweede variant wordt ook wel Developmental Coordination Disorder (DCD) genoemd. Dit komt het meest voor. Bij DCD levert de organisatie en uitvoering van handelingen problemen op. Het kind weet wel hoe het moet, maar kan het niet in praktijk brengen.